Persoonlijke verhalen.

Op deze pagina kunt u persoonlijke verhalen lezen, van mensen die hebben gewerkt op 1 van de Limburgse Mijnen. Heeft u en wilt u een verhaal delen, mail ons.

www.gluckauf@gmail.com

© www.gluckauf.nl


NIEUW!

Mijn arbeidstijd in de melkboet!

Hard en huilend joeg de ijzig oostenwind over de Mauritsweg. Met de pet over mijn oren getrokken en de sjaal voor mijn neus en mond ploeterde ik op mijn oude
gammele fiets in de vroege morgen voort. Op weg naar mijn werk op de Staatsmijn Maurits. Dat was op een dag in November van 1946. Het was 04.00 uur in de
nacht en ik was de eerste die op weg was naar zijn werk. Troosteloos en bevroren lagen de velden langs het Steinerbos er bij, die me naar mijn doel leidde. Dat was
de “ Melkboet” op de Staatsmijn Maurits. De hevige wind die joeg de stuifsneeuw als witte poeder door de lucht en op plaatsen hoopte die sneeuw zich metersdik
op. Als knaapje van 15 jaar trapte ik de pedalen rond. Elke trap die ik deed bracht me langzaam verder. Maar even voorbij het Steinerbos moest ik van mijn fiets af.
Aan het einde van de Mauritsweg, nabij de bakkerij “Werenbeck”, was de weg onbegaanbaar. Een dikke laag stuifsneeuw op de weg maakte het fietsen onmogelijk.
Wat heb ik toen moeten ploeteren om door die troep heen te komen. Ik duwde en ik sleepte me met mijn fiets door deze barrière heen. Twee honderd bizarre meters
heb ik toen afgelegd in omstandigheden die me deden denken aan de Eskimos op de Noordpool. Toen ik daar doorheen was en weer fietsend verder kon,
pedaleerde ik even later langs de boerderij van Hennekes met langs de weg hoge rijen populieren. Dan naar links over de brug van het mijnspoor met de steenberg
aan de linkerkant en rechts de muur van het schrootterrein. En aan het einde van die weg daar was de ingang van de Sm.Maurits. Zo begon toen een van mijn
werkdagen,- van de twintig jaar,- die ik deze weg gereden heb en de mijnwerkers van achter de toonbank van het melkhuisje heb bediend. Toen echter in 1966 de
mijn gesloten werd was het over en uit. Ik denk nog vaak aan die tijd terug. Aan de mannen van het kolenfront die ik voorzag van melk, limonade, chocomel, cocacola, zure haring en rolmops, sprits en gevulde koeken, pruimtabak, pepermunt en fruitrollen, toiletzeep, sigaretten en sigaren, shag en pijptabak, kwatta repen, en
nog zoveel meer van dat gerei. Het melkhuisje was een goed beklante zaak. Voor 20 cent kreeg je er een flesje Komol limonade van Moulen uit Voerendaal met een
zure haring of rolmops van Baltussen uit Maastricht. Een grote beker melk van de fabriek St. Rosa uit Sittard met een sprits of gevulde koek van bakker Polman uit
Geleen koste samen ook maar twee dubbeltjes. De zure haring of rolmops, met een flesje prik er achteraan, dat was zowaar een delicatesse voor de mijnwerkers.
Het was soms niet aan te slepen. Na een zware dagtaak in de pijler, honderden meters diep in de aarde tussen stof en gruis, verlangden deze mensen alleen nog maar
naar frisse lucht en drinken. Want ze kwamen uit de hel. Als ze hun dagtaak er op hadden zitten dan wasten ze zich in het bad lokaal in alle haast het zwarte
kolenstof van hun lijf om zich naar het melkhuisje te spoedden. Daar lag hun “Oase”. Hun zucht naar dat flesje limonade met die zure haring dat was te vergelijken
met iemand die dorstig en uitgedroogd in de woestijn ronddoolt op zoek naar water. Anderen die hadden weer een groot verlangen naar een warme beker melk met
een sprits of gevulde koek. Ze stonden als hongerige wolven in de rij hun beurt af te wachten. Ongeduldig als kwijlende honden. Sommigen hadden nog het zwart
van het kolenstof rond hun ogen zitten. En die ogen spraken boekdelen. Men las er de zware arbeid in. Vele jaren later werd ik me pas bewust wat achter die ogen
schuilde. Bloed, zweet en tranen. Je moet volwassen zijn om het te begrijpen. Maar ondanks hun zware dagtaak hadden de mannen toch nog een plaats voor
grappen en grollen. En uitdagingen! Ik herinner me nog heel goed de wedstrijd die de 4 gebroeders Maessen uit Spaubeek soms hielden. Flink uit de kluiten
gewassen kerels die vol zaten met humor en gein. Als ze met z’n vieren na de dienst het melkhuisje binnen kwamen, en ze zagen de lekkere zure haringen in de
grote schotel liggen, dan was hun honger niet te stillen. Als iedere er zo’n stuk of vijf soldaat had gemaakt dan begon het spel. Dan jutte de een de ander op om er
nog een te verorberen. Soms werd er een weddenschap afgesloten. Degene die 10 haringen op kon die hoefde niet te betalen. Maar de hoogste score die een van
hun haalde was 8 stuks. En zo heb ik nog meer merkwaardige dingen meegemaakt. Zoals bijvoorbeeld de variatie van drinken en eten die sommigen hadden. Een
beker warme melk met een rolmops, of een spritskoek met een haring. Een combinatie die niet te verteren was. Maar honger en dorst maakt alles lekker. Het
melkhuisje dat kon niet gemist worden. Als de mijnwerkers hun dagtaak er op hadden zitten dan was het voor de melkhuisbedienden hard aan pakken. Ze kwamen
soms handen te kort om de klanten te bedienen. Geen honderden maar duizenden flesjes drank gingen dan over de toonbank. En evenzo de haringen of de
rolmopsen. Voor dat de stormloop begon werd gezorgd dat er voldoende schotels met haring of rolmops waren gevuld om iedereen zo snel mogelijk te laten
doorstromen. Want voor de meesten stonden buiten op de parkeerplaats de bussen te wachten die hun naar huis vervoerden. Maar er was nog een product waar de
kompel niet zonder kon. En dat was de pruimrol. De pruimrolletjes van de Fa. Philips uit Maastricht die waren het meest in trek gevolgd door de pruimrollen van
Garé uit Beek en de Grim & Trippel van tabak leverancier Ogg uit Maastricht. Dat er wat afgepruimd werd daar diep in de mijn dat tekende zich doordat er
wekelijks wel zo’n 1000 pruimrollen over de toonbank gingen. En als het betaaldag was, vooral bij de maandafrekening, dan was het melkhuisje te klein. Dan was
hun kooplust nog groter als normaal. Dan stonden de kompels in dikke rijen voor de drie uitgifteplaatsen van de toonbank te dringen. Het is al zo erg geweest dat de
mijnpolitie er aan te pas is gekomen om hun tot orde te manen. Het is nu allemaal nog maar geschiedenis. En heel soms, als ik bij
toeval enkele van mijn oude collega’s ontmoet, zoals o.a. Marthé Martens, Willie Wanten of Thé Cremers, dan hebben we het altijd
weer over de tijd toen we in het melkhuisje de delvers van het zwarte goud voorzagen in hun behoeften. Ieder van ons heeft dan wel
weer een beetje heimwee naar die tijd hoewel we die niet meer terug wilden.
Want als ik dit schrijf dan leven we in het jaar 2011. Slechts herinneringen en documentatie en vooral internet doen ons dan nog
somtijds terug denken aan de werkers diep in de donkere schachten van de mijn. Drie maal klikken met de muis op gluckauf.nl en je
gaat met je gedachten terug naar de tijd toen het zwarte goud ons arbeid en brood op de plank verschafte.
Een tijd van hard werken maar ook een tijd van kameraadschap en solidariteit. Toen was geluk nog heel gewoon. !!!!

P. Schepers

P. Schepers

Komol limonade van Moulen

Dhr. Eijgelshoven was een van de eersten Limburgers die in de Limburgse mijnbouw actief betrokken werd. Na z'n opleiding in Altsdorf (D) waar hij leerde mijnschachten te slaan, ging hij in NL-Limburg aan de slag. Van hem heeft de overlevering nog een door zijn dochter gemaakt dienstjubileums schilderij nagelaten. (Zie hieronder foto). Op de onderstaande groepfoto, is  Dhr. Eijgelshoven, Heesberg Heerlen, te zien die in 1932 zijn 25 jarig jubileum vierde, en zijn uitgereikte penning. Op de laatste foto, is een een artikel over Dhr. Eijgelshoven.