Home » MIJNBOUW INFO » Overzicht beroepen in de Mijnen.
Logoinhoud-465.jpg

Overzicht beroepen in de Mijnen.

 

De Mijnen kenden een strenge hiërarchie en een goed georganiseerd werkproces. Zoals ondergronds als bovengronds. Klik op één van onderstaande submenu's voor de diverse beroepen in de mijn.

( foto's niet kopieën ivm auteurs rechten, Auteurswet 1912 )

Wasserij.

Hier kon men de werkkleding inleveren om te wassen. De mijnwerker kon dit 1 x per week doen ( met speciale bonnen kon hij ze vaker laten wassen) . De meesten mijnwerkers, namen de kleding 2 x per week naar huis om door moeder de vrouw te laten wassen. Opzichters konden hun kleding dagelijks laten wassen. De kleding werd voor zien van een was penning ( eigen nummer) en in een waszak of pungel gedaan. Na het wassen kon men de kleding ophalen. In de wasserij werden ook werkschoenen laarzen schoon gemaakt.

Wasserij van de Staatsmijn Maurits.

© DSM/ www.gluckauf.nl

Ondergrondse vervoerregelaar.

De vervoerregelaar zorgde ervoor dat het transpoort van mensen, materieel, kolen op tijd en zonder gevaar verliep. Men moest goed logistiek kunnen denken, zodat de productie niet stil kwam te liggen.Dat er gelijkmatige uitstroom was naar boven van kolen(wagons), en hield dit goed bij.

Ondergrondse vervoerregelaar aan het werk.

© www.gluckauf.nl

Portier.

De Portier was de persoon die mensen toe liet op het mijn terrein. De portier kon iedereen wel bij zijn gezicht ( mijnwerkers ). Hij deelde de penningen uit en nam ze in. Stuurde leveranciers naar de juiste plek. Bij een calamiteit sloot de portier direct hermetisch het mijnterrein af.

Portier bij een bord penningen.

© www.gluckauf.nl

Ondergrondse Telefonist.

De mijn stond via een telefoonverbinding in contact met bovengronds. De communicatie verliep altijd per telefoon ( onder naar boven en boven naar onder ). Ivm vervoer kolen, vervoer mensen ect...

Als het weekend was liep er altijd iemand de wacht ondergronds. De gene die wacht had moest om het uur naar boven bellen. Zodat ze konden zien dat er niks was gebeurd ( bv explosie, instorting of mijn gas). Werd er geen contact opgenomen, dan werd direct alles gecontroleerd.

Mijnwerker telefoneert vanaf de 546 meter verdieping, Staatsmijn Emma, Hoensbroek (1973) © N. Pepermans/ www.gluckauf.nl

Schoenmaker.

De schoenmaker ( meestal afgekeurde mijnwerkers ) werkte in de schoenmakerij, ook wel de sociale werkplaats. Deze bevond zich niet op het mijnterrein, maar buiten het mijnterrein. Hier werden allerhande reparaties uit gevoerd, zoals schoenen voor zien van stalen neuzen.

De schoenenfabriek Emma WSW.

© www.gluckauf.nl

Verbandmeester.

Hier kon je terecht naar je dienst om naar de verwondingen of blessures te laten kijken, die je had op gelopen tijdens het werk. De verbandmeester verbond kneuzingen of andere blessures. Elke Mijn had een Verbandmeesters en een behandelkamer.

Verbandkamer met verbandmeesters van de Staatsmijn Emma uit 1946.

© www.gluckauf.nl

De Lampisterie.

Hier werkte mensen die de mijnlampen deden uitgeven en in ontvangst namen. Tevens werden ze hier gecontroleerd en of ze gevuld moesten worden. De lampisertie werd ook wel petlampenboet genoemd of lampenkeet.

Medewerker van de lampisterie van de Staatsmijn Wilhelmina 1957.

© Stm.Wilhelmina/www.gluckauf.nl

Postsleper.

In een steenkolenmijn waren vroeger ondergronders in allerlei rangen. Men begon als sleper, daarna kon men zich opwerken tot postsleper. De postsleper was het "hulpje"van de houwer en deed onder andere voorbereidende werkzaamheden voor de houwer.

 

Een postsleper klopt de door hemzelf geplaatste kophout. Uit 1952

 © www.gluckauf.nl

Houwer.

De houwer, een ondergrondse arbeider, wordt vanaf het begin van zijn ondergrondse tewerkstelling in opleiding genomen. Tot aan het houwersexamen zal hij in opleiding blijven tenzij de opleiding wegens gebleken ongeschiktheid van de arbeider of om andere redenen moet worden beëindigd of opgeschort. De houwersopleiding wordt verdeeld over 2 perioden. Gedurende de eerste periode van één jaar wordt de arbeider opgeleid tot hulphouwer. Aansluitend aan de eerste periode volgt een tweejarige , respectievelijk 2 ½ jarige periode voor hulphouwers die de OVS of hiermede gelijk te stellen opleiding niet hebben gevolgd, waarin de hulphouwer wordt opgeleid tot houwer.

 

Houwers aan het werk.

© www.gluckauf.nl

Beroep Opzichter.

De opleiding voor mijnopzichter aan de Mijnschool was een middelbare nijverheidsopleiding en stond gelijk aan de Hogere Technische Scholen in Nederland. Tot 1907 was er in Nederland geen behoorlijke opleiding tot opzichter en de Limburgse Steenkoolmijnen water destijds genoodzaakt hun ondergronds leidinggevend personeel uit het buitenland te betrekken of leden van hun personeel in het buitenland te laten opleiden. In 1907 stichtten de Staatsmijnen een opleiding tot mijnopzichter, oorspronkelijk alleen bestemd voor eigen personeel. Geleidelijk groeide het inzicht dat er één opleiding voor alle mijnen moest komen. Hierdoor zou in de dringende behoefte aan mijnopzichters voor de Nederlandse Steenkoolmijnen worden voorzien. In 1911 mocht dit streven reeds succes boeken, in dat jaar werden namelijk besprekingen gehouden over de oprichting van een Ambachtsschool in Heerlen en er gingen toen stemmen op voor een algemene opleiding tot mijnopzichter. Het resultaat was dat in april 1913 een Vereniging "Ambachtsschool en Mijnschool voor Heerlen en Omstreken" werd opgericht. Na Pasen 1914 werden voor de eerste maal  leerlingen voor alle mijnen in opleiding genomen. De opleidingskosten werden voor een groot deel door de mijnbedrijven betaald. De bedrijven gaven zelfs een vergoeding voor levensonderhoud op schooldagen. Een afgestudeerd mijnopzichter had zicht op een mooie levenspositie. Sommige oud-leerlingen brachten het zelfs tot Chef Ondergronds Bedrijf, Bedrijfsinspecteur, hoofdopzichter of meester-opzichter.

 

Opzichter Frits van Kruchten met mijnlamp en vaarstek.

 © www.gluckauf.nl

Mijnmeters.

De metingen ondergronds geschiedde door de mijnmeters. Je kunt ze vergelijken met het kadaster. Zij beschikten over verschillende instrumenten, de waterpas, de theodoliet (hoekmeet apparaat), meetbanden, schietloden en loden. Vroeger moest zelfs een thermometer mee omdat de ijzeren meetbanden uitzetten. Metingen waren belangrijk om te weten waar men was en zo kon men bovengronds voorkomen dat er mijnschade ontstond. De metingen begonnen bovengronds, men liet 2 zware kabels met zware loden in de schacht zakken die beneden vrij hingen in olievaten zodat deze niet konden slingeren. Dan meet men beneden de  kabels aan en dan wist men de hoeken. Nu konden de metingen ondergronds voortgezet worden. Vaste punten werden aangegeven (theodoliet-punten). De metingen werden bovengronds in de tekenkamer ingetekend, bovengrondse kaarten waren doorzichtig. Legde men de doorzichtige kaarten op de ondergrondse tekeningen, dan wist men precies waar men zich bevond. Ook werd de diepte gemeten en bij de vaste meetpunten zette men zware bouten in de wand. Mijnmeters moesten ook meten hoe de rails moesten lopen en hoe een steengang gelegd moest worden.

 

Mijnmeters aan het werk, in 1953. In de Oranje Nassau Mijn.

 © Anefo./www.gluckauf.nl