Home » MIJNBOUW INFO » Info overblijfselen mijnbouw.
Logoinhoud-397.jpg

Info overblijfselen mijnbouw.

( foto's niet kopiëren ivm auteursrechten, Auteurswet 1912 )

© www.gluckauf.nl

Bruin kool.

Tussen de Felbissbreuk en de Heerlerheidebreuk ligt de bruinkool relatief dicht aan de oppervlakte en deze delfstof werd daarom in het verleden ook op de Brunssummerheide afgegraven. Ten noordoosten van de Feldbiss ligt de 5 tot 25 meter dikke bruinkoollaag juist op een diepte van 300 meter onder de oppervlakte.
In 1908 werd door de Nederlands- Engelse firma Bergerrode een concessie aangevraagd om bruinkool te winnen in Brunssum. In 1917 werd gestart met het afgraven van de deklaag. In december 1918 begon de winning van bruinkool uit de groeve Brunahilde II, ter hoogte van het huidige Vijverpark in Brunssum. In een half jaar tijd haalden 400 arbeiders ruim 406.000 ton bruinkool uit de groeve, die daarna uitgeput was. In 1920 werd een waterader geraakt en de bruinkoolgroeve liep langzaam vol met water. In 1937 werd een park naar een ontwerp van stadsarchitect J.J. Drummen. rondom de plas aangelegd. Het park werd in 1951 aangepast door landschapsarchitect J. Bergmans.
Tussen 1917 en 1924 exploiteerde de bruinkoolmaatschappij Bergerode de 140 hectare grote groeve Energie op de Brunssummerheide waar op het hoogtepunt van de exploitatie 2000 arbeiders werkten. Na beeindiging van de bruinkoolwinning liep de groeve vol water. In 1925 lag de delta van de Rode Beek in dit gebied. Omdat tijdens de Tweede wereldoorlog ook brandstofschaarste heerste, werd de bruinkoolgroeve Energie opnieuw in gebruik genomen. Tussen 1942 en 1945 werkten 100 arbeiders voor de N.V. Energie die op de heide de bruinkool ontgon. De deklaag van deze groeve werd met behulp van een speciaal aangelegd spoorlijntje naar het moerasgebied langs de Rode Beek vervoerd dat zodoende voor een groot deel werd gedempt. De delta van de Rode beek die in het meer dat in de voormalige groeve lag verlande hierdoor en er vond veenvorming plaats. De bruinkool had een dikte van ongeveer vijf meter. Vanwege de bruinkoolwinning werd de Rode beek omgeleid. Bruinkoolgroeve Energie werd in 1949 definitief gesloten. Tijdens de ontginning werd naast de groeve een tien meter hoge berg dekzand op de heide gestort. Hierop werden in de jaren dertig naaldbomen aangeplant. Op 10 juni 1958 ‚s morgens om 8.30 uur, schoof na een langdurige regenval opeens 200.000 m3 zand uit het zuiden van deze zandberg in de vrij diepe vijver van de bruinkoolgroeve. Daardoor werd het water uit de groeve tot aan de Rimburgerweg gestuwd. Deze stond een meter onder water. Een deel van het zwembad, dat vlakbij de huidige manege lag, werd hierdoor meegesleurd. Alles bij elkaar opgeteld, duurde de aardverschuiving tien tot vijftien minuten. Het zand is waarschijnlijk gaan schuiven over de resten van de bruinkool die tussen het zand aanwezig waren. Door de verschuiving werden de bomen op het zandstort hellingafwaarts meegenomen en scheef gesteld.
Tijdens de aardbeving van 13 april 1992 was de grond weer erg met water verzadigd. Ook toen schoof weer een deel van de grond weg en werden bomen scheefgezet.

Sporen van mijnbouw rondom Brunssum.


In en rondom Brunssum herinneren nog allerlei zaken direct of indirect aan de steenkolenmijnbouw. Zo liggen er mijnwerkerswijken (kolonien) die tussen 1910 en 1930 gebouwd worden rond de staatsmijnen Emma in Treebeek en Hendrik in Brunssum. Deze wijken heten Schuttersveld, Oude Egge, Treebeek-Haansberg, de Rozengaard en de Langeberg. Op het terrein van de voormalige mijn Hendrik kwam het hoofdkwartier van AF-North te liggen. Op dit terrein liggen nog enkele mijngebouwen. Het Schutterspark werd aangelegd als ontspanningsplek voor de mijnwerkers en hun gezinnen. En tussen de mijnen Hendrik en Emma lag vroeger een mijnspoorlijn waarvan het trace nog bestaat.

Sporen van mijnbouw rondom Heerlen.

In en rondom Heerlen zijn na de sluiting van de mijnen de meeste sporen van de ooit zo belangrijke industrietak verdwenen. De einige echt tastbare sporen die direct aan de mijnbouw herinneren zijn de Schacht II van de Oranje Nassaumijn I en de steenberg van de ON IV. Deze schacht wird tussen 1896 en 1898 gebouwd. Het was destijds een schacht die volgens een nieuwe methode, bedacht door Honingmann, wird afgediept. De schacht markeert de start van de moderne mijnbouw in Zuid-Limburg. Het in neo-romaanse stijl opgetrokken schachtgebouw is geïnspireerd op de vele schachtblokken die in deze stijl werden opgetrokken in het steenkolenbekken rondom Aken en in het Ruhrgebied. Het lijkt op een bastion. Bovenop de stenen onderbouw staat de stalen bok. Vlak erbij staat ook het ophaalgebouw dat destijds bij de schacht hoorde. In het schachtgebouw is het Nederlandse mijnmuseum gevestigd.
Een tweede tastbare herinnering aan de mijnbouw is de steenberg van de Oranje Nassaumijn IV, ook wel Heksenberg genoemd, aan de rand van de Brunssummerheide. Deze steenkolenmijn wordt anno 2010 echter bedreigd met afgraving vanwege het kostbare zilverzand dat de firma Sigrano onder de steenkolenmijn will weggraven.
Naast deze directe sporen, zijn er ook nog andere zaken die een tastbare herinnering aan de tijd van de mijnbouw vormen, maar door de gemiddelde voorbijganger niet herkend worden. Een goed voorbeeld daarvan is het voormalige hoofdkantoor van de Oranje Nassaumijn I. Dit ligt in de directe omgeving van het schachtgebouw van de ON I. Het mintgroen geverfde gebouw bestaat uit een staalconstructie en veel grote ramen. Deze staalconstructie uit losse elementen wird door de ontwerper, Ir. D. Roosenburg, niet voor niets gekozen. Onder het gebouw lagen namelijk mijngangen waarbij het risico van verzakking niet kon worden uitgesloten. Het in 1931 gereed gekomen bouwwerk is derhalve bijzonder voor de Oostelijke mijnstreek.
Aan het Bekkerveld, een groot met kastanjebomen omgeven grasveld in Heerlen, ligt de voormalige HTS. Dit gebouw is opgetrokken uit grote, ruwe blokken zandsteen. Het wird in 1922 gebouwd als mijnschool.
Langs de Valkenburgerweg 167 ligt Villa Zomerweelde. Deze grote villa, omgeven door een grote tuin met verschillende grote bomen en een grasveld eromheen, wird oorspronkelijk gebouwd als woning voor de commercieel directeur van de Oranje Nassau-mijnen. Het ontwerp van Villa Zomerweelde, die in 1913 gereed kwam, was van architect J. W. Hanrath.

Kolonien.

In de Zuid-Limburgse mijnbouwgebieden werden voor de arbeiders speciale woonwijken gebouwd. Vaak waren het woningen met een vrij grote tuin erbij, zodat de mensen in staat waren ten dele in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Veel huizen zijn gebouwd in de zogenaamde Lotharingse stijl.
In de volgende wijken liggen dergelijke arbeiderswijken, in deze streek "Kolonien", met de klemtoon op de laatste lettergreep, genoemd.

Musschemig.

Langs de Sittarderweg liggen diverse woningen die uit de periode van de mijnbouw stammen. Sittarderweg 70 en 72 waren woningen van de hoofdopzichters van de Oranje Nassaumijnen. Ze werden in 1910 respectievelijk 1915 gebouwd. Ook staan er twintig woningen voor beambten uit dezelfde periode. Deze zijn gebouwd in vijf blokken van elk vier woningen. Twee blokken zijn geheel gepleisterd met een versiering van banden ruwe baksteen, de andere bestaan geheel uit ruwe baksteen, welke op zijn beurt weer door gepleisterde banden wordt afgewisseld.
In Musschemig werden tussen 1900 en 1918 diverse woningen in Lotharingse stijl gebouwd. Kenmerkend is de bijzonder decoratieve architectuur. Ze dienden als woning voor de mijnwerkers van de Oranje Nassaumijnen.

Leenhof.

In de wijk Leenhof staan diverse mijnwerkerswoningen in Lotharingse stijl. In Leenhof I, onder meer de Leenhofstraat, staan zes blokken van vier rug-aan.-rug woningen. Deze zijn gebouwd tussen 1905 en 1907 in opdracht van de Oranje Nassaumijnen. De woningen werden in 1939 vergroot door de schuurtjes aan de zijgevel verhoogd werden. In Leenhof II staan woningen in een vroege, sobere versie van de Lotharingse stijl die rond 1907 in opdracht van de Oranje Nassaumijnen gebouwd zijn.

Beersdal.

In de wijk Beersdal, onder meer langs de Schelsberg, staan mijnwerkerswoningen voor arbeiders aan de Oranje Nassaumijnen. Deze werden in opdracht van de mijnen tussen 1910 en 1918 gebouwd in Lotharingse stijl. Het zijn twee woningtypes, enerzijds vier rug-aan-rug woningen en anderzijdse twee onder één kap-woningen.

Rennemig.

In de wijk Rennemig werden tussen 1914-1915 en 1918 diverse woningen voor de mijnwerkers in de Oranje Nassaumijnen gebouwd. Er kan een vijftal woningtypes worden onderscheiden die allen een grote architectonische variatie vertonen.

 Sporen van mijnbouw in Kerkrade.

 

  Mijnwerkerskolonie de Hopel. Rolduc bezat ooit de mijnen in het Wormdal.
In Kerkrade, bakermat van de Nederlandse mijnindustrie, herinnert nog slechts een handjevol zaken aan de voormalige steenkolenwinning.
Het belangrijkste monument is de luchtschacht van de Dominiale mijn, ook wel Schacht Nulland genoemd. Deze luchtschacht werd in 1907 gebouwd voor het verversen van de lucht in de mijn. In 1915 werd de schacht uitgebreid en vanaf 1921 ook gebruikt voor het transport van goederen. In 1975-1976 wird het gebouw gerestaureerd en aangevuld met de luchtverversingsventilator van de Oranje Nassaumijn I uit Heerlen.
In Eygelshoven, waar vroeger de steenkolenmijnen Laura en Julia stonden, zijn nog meer tastbare herinneringen aan de mijnbouw aanwezig.
In een groot park staat de tegenwoordig als appartementencomplex in gebruik zijnde Villa Pierre. Deze fraaie villa werd in 1901 gebouwd als woning voor de mijndirecteur Raymond Pierre. In 1929 wird het gebouw in gebruik genomen als hoofdbureau van de mijnbouwfirma Laura & Vereeniging.
In Eygelshoven staan ook nog diverse woningen uit de mijnbouwperiode. De wijken waarin de mijnwerkerswoningen staan worden plaatselijk kolonien, met de nadruk op de laatste lettergreep, genoemd. Het fraaiste voorbeeld is de woninggroep Hopel. Deze omvat 46 woningen die tussen 1906 en 1910 gebouwd werden in opdracht van de firma Laura & Vereeniging. Opvallend zijn de klokvormige gevels van een aantal woningen. Alle huizen dragen rode daken en zijn wit geschilderd. Opvallend zijn ook de lange, smalle tuintjes met de bijbehorende schuurtjes. Langs de Laurastraat staan twaalf beambtenwoningen die vanaf 1901 werden gebouwd. Deze dienden voor de beambten van de mijn Laura & Vereeniging. Ze hebben een fraaie baksteenornamentiek met gepleisterde vakken.
Langs de Rimburgerweg staan twee ingenieurswoningen. Deze fraaie woningen met diep naar onder getrokken daken zijn gebouwd in de stijl van Engelse landhuizen. Het houten vakwerk langs de gevel valt op. Ze lagen in vroeger dagen vlakbij de mijn.
In de Sint-Jansstraat staan nog enkele opzichterswoningen uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Ze zijn opgetrokken uit baksteen, maar versierd met natuurstenen banden. De terugliggende delen van de woningen zijn bovendien gepleisterd

Sporen van de mijnbouw in de gemeente Landgraaf.

Hoewel de gemeente Landgraaf, die in de mijnbouwperiode uit een aantal dorpen bestond, was er 1 mijn de O.N 2, zijn er toch nog heel wat sporen van de mijnperiode aanwezig. In Schaesberg zijn op het Eikske 26 woningen behouden gebleven. Ze zijn in 1913 in opdracht van de Oranje Nassaumijnen gebouwd als twee onder een kap woningen. De dertien blokken kunnen worden onderverdeeld in zes verschillende types, waardoor de wijk een gevarieërd aanzien heeft. De kolonie van het Eikske werd gebouwd op de plek van het vroegere logement van de Oranje Nassau II-mijn. In het logement hielden artsen spreekuur en ze boden er ook hulp aan gewonde mijnwerkers. Na de sloop van het logement werden op deze plek de eerste mijnwerkerswoningen gebouwdin Franse stijl. Vroeger telde de wijk een kleine supermarkt, een cafe en een kledingzaak. De naam van de wijk stamt van een eikenboom die als grensmarkering gebruikt werd.
Ook de woninggroep Schaesberg is een fraai voorbeeld van een kolonie. Er werden tussen 1914 en 1918 door de Oranje Nassaumijnen 202 arbeiderswoningen gebouwd. Eveneens in Schaesberg liggen de woninggroepen Leenhof III en Leenhof IV, gebouwd tussen 1909 en 1912 in opdracht van de Oranje-Nassaumijnen in Lotharingse stjil.

 

 















 

.