Interviews. 

Die we hebben geven & en andere personen die betrekking hebben op de Mijnbouw.

 

31-11-2011.

Tekstvak:  Mijn arbeidstijd in de melkboet!

  NIEUW!

Hard en huilend joeg de ijzig oostenwind over de Mauritsweg. Met de pet over mijn oren getrokken en de sjaal voor mijn neus en mond ploeterde ik op mijn oude gammele fiets in de vroege morgen voort. Op weg naar mijn werk op de Staatsmijn Maurits. Dat was op een dag in November van 1946. Het was 04.00 uur in de nacht en ik was de eerste die op weg was naar zijn werk. Troosteloos en bevroren lagen de velden langs het Steinerbos er bij, die me naar mijn doel leidde. Dat was de “ Melkboet” op de Staatsmijn Maurits. De hevige wind die joeg de stuifsneeuw als witte poeder door de lucht en op plaatsen hoopte die sneeuw zich metersdik op.  Als knaapje van 15 jaar trapte ik de pedalen rond. Elke trap die ik deed bracht me langzaam verder. Maar even voorbij het Steinerbos moest ik van mijn fiets af. Aan het einde van de Mauritsweg, nabij de bakkerij “Werenbeck”, was de weg onbegaanbaar. Een dikke laag stuifsneeuw op de weg maakte het fietsen onmogelijk. Wat heb ik toen moeten ploeteren om door die troep heen te komen. Ik duwde en ik sleepte me met mijn fiets door deze barrière heen. Twee honderd bizarre meters heb ik toen afgelegd in omstandigheden die me deden denken aan de Eskimos op de Noordpool. Toen ik daar doorheen was en weer fietsend verder kon, pedaleerde  ik even later langs de boerderij van Hennekes met langs de weg hoge rijen populieren. Dan naar links over de brug van het mijnspoor met de steenberg aan de linkerkant en rechts de muur van het schrootterrein. En aan het einde van die weg daar was de ingang van de Sm.Maurits. Zo begon toen een van mijn werkdagen,- van de twintig jaar,- die ik deze  weg gereden heb en de mijnwerkers van achter de toonbank van het melkhuisje heb bediend. Toen echter in 1966 de mijn gesloten werd was het over en uit. Ik denk nog vaak aan die tijd terug. Aan de mannen van het kolenfront die ik voorzag van melk, limonade, chocomel, coca-cola, zure haring en rolmops, sprits en gevulde koeken, pruimtabak, pepermunt en fruitrollen, toiletzeep, sigaretten en sigaren, shag en pijptabak, kwatta repen, en nog zoveel meer van dat gerei. Het melkhuisje was een goed beklante zaak. Voor 20 cent kreeg je er een flesje Komol limonade van Moulen uit Voerendaal met een zure haring of rolmops van Baltussen uit Maastricht. Een grote beker melk van de fabriek St. Rosa uit Sittard met een sprits of gevulde koek van bakker Polman uit Geleen koste samen ook maar twee dubbeltjes. De zure haring of rolmops, met een flesje prik er achteraan, dat was zowaar een delicatesse voor de mijnwerkers. Het was soms niet aan te slepen. Na een zware dagtaak in de pijler, honderden meters diep in de aarde tussen stof en gruis, verlangden deze mensen alleen nog maar naar frisse lucht en drinken. Want ze kwamen uit de hel. Als ze hun dagtaak er op hadden zitten dan wasten ze zich in het badlokaal in alle haast het zwarte kolenstof van hun lijf om zich naar het melkhuisje te spoedden. Daar lag hun “Oase”. Hun zucht naar dat flesje limonade met die zure haring dat was te vergelijken met iemand die dorstig en uitgedroogd in de woestijn ronddoolt op zoek naar water. Anderen die hadden weer een groot verlangen naar een warme beker melk met een sprits of gevulde koek. Ze stonden als hongerige wolven in de rij hun beurt af te wachten. Ongeduldig als kwijlende honden. Sommigen hadden nog het zwart van het kolenstof rond hun ogen zitten. En die ogen spraken boekdelen. Men las er de zware arbeid in. Vele jaren later werd ik me pas bewust wat achter die ogen schuilde. Bloed, zweet en tranen. Je moet volwassen zijn om het te begrijpen. Maar ondanks hun zware dagtaak hadden de mannen toch nog een plaats voor grappen en grollen. En uitdagingen!  Ik herinner me nog heel goed de wedstrijd die de 4 gebroeders Maessen uit Spaubeek soms hielden. Flink uit de kluiten gewassen kerels die vol zaten met humor en gein. Als ze met z’n vieren na de dienst het melkhuisje binnen kwamen, en ze zagen de lekkere zure haringen in de grote schotel  liggen, dan was hun honger niet te stillen. Als iedere er zo’n stuk of vijf soldaat had gemaakt dan begon het spel. Dan jutte de een de ander op om er nog een te verorberen. Soms werd er een weddenschap afgesloten. Degene die  10 haringen op kon die hoefde niet te betalen. Maar de hoogste score die een van hun haalde was 8 stuks. En zo heb ik nog meer merkwaardige dingen meegemaakt. Zoals bijvoorbeeld de variatie van drinken en eten die sommigen hadden. Een beker warme melk met een rolmops, of een spritskoek met een haring. Een combinatie die niet te verteren was. Maar honger en dorst maakt alles lekker. Het melkhuisje dat kon niet gemist worden. Als de mijnwerkers hun dagtaak er op hadden zitten dan was het voor de melkhuisbedienden hard aan pakken. Ze kwamen soms handen te kort om de klanten te bedienen. Geen honderden maar duizenden flesjes drank gingen dan over de toonbank. En evenzo de haringen of de rolmopsen. Voor dat de stormloop begon werd gezorgd dat er voldoende schotels met haring of rolmops waren gevuld om iedereen zo snel mogelijk te laten doorstromen. Want voor de meesten stonden buiten op de parkeerplaats de bussen te wachten die hun naar huis vervoerden. Maar er was nog een product waar de kompel niet zonder kon. En dat was de pruimrol. De pruimrolletjes van de Fa. Philips uit Maastricht die waren het meest in trek gevolgd door de pruimrollen van Garé uit Beek en de Grim & Trippel van tabakleverancier Ogg uit Maastricht. Dat er wat afgepruimd werd daar diep in de mijn dat tekende zich doordat er wekelijks wel zo’n 1000 pruimrollen over de toonbank gingen. En als het betaaldag was, vooral bij de maandafrekening, dan was het melkhuisje te klein. Dan was hun kooplust nog groter als normaal. Dan stonden de kompels in dikke rijen voor de drie uitgifteplaatsen van de toonbank te dringen. Het is al zo erg geweest dat de mijnpolitie er aan te pas is gekomen om hun tot orde te manen. Tekstvak:  Het is nu allemaal nog maar geschiedenis. En heel soms, als ik bij toeval enkele van mijn oude collega’s ontmoet,  zoals o.a. Marthé Martens, Willie Wanten of Thé Cremers, dan hebben we het altijd weer over de tijd toen we in het melkhuisje de delvers van het zwarte goud voorzagen in hun behoeften. Ieder van ons heeft dan wel weer een beetje heimwee naar die tijd hoewel we die niet meer terug wilden.

Want als ik dit schrijf  dan leven we in het jaar 2011. Slechts herinneringen en documentatie en vooral internet doen ons dan nog somtijds terug denken aan de werkers diep in de donkere schachten van de mijn. Drie maal klikken met de muis op gluckauf.nl en je gaat met je gedachten terug naar de tijd toen het zwarte goud ons arbeid en brood op de plank verschaftte.

Een tijd van hard werken maar ook een tijd van kameraadschap en solidariteit. Toen was geluk nog heel gewoon. !!!!

 

Gluckauf !!!!!

 

P. Schepers.

 

 

14-03-2011.

Interview door Hart van Nederland met Roy Simons.

14-jarige directeur mijnmuseum dolblij

 

St. Barbara met mijnwerkerskost - 4 december 2010

Het Mijn-Verleden van het Mijnwerkersmuseum in de oude mijngebouwen van Waterschei organiseerde, onder ruime belangstelling, een St.Barbaraviering met een mijnwerkersmenu

Bekijk de reportage


 

 

Interview door L1 radio over de tentoonstelling house of wonders, waar wij een gedeelte van onze verzameling aan hebben uit geleend.

http://www.l1.nl:80/content/ 4817618

 

Interview met Frits Aelmans

http://player.omroep.nl/? aflID=11509623&silverlight= true

http://www.radio1.nl/contents/ 20601-hoe-is-het-om-vast-te- zitten-in-een-mijn?autostart= 30915

 

Interview die we hebben gegeven aan de krant de Trompeter.

Hieronder ziet U het krantenartikel van 08-02-2010 uit het Limburgs dagblad. Het artikel heeft één dag later vele positieve reacties opgeleverd. Diverse mensen boden zelfs spontaan hun mijnspullen ter schenking aan. Onze oprechte dank hiervoor.

   
   
   
   
   

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/

/