St. Barbara met mijnwerkerskost - 4 december 2010
Het Mijn-Verleden van het Mijnwerkersmuseum in de oude mijngebouwen van Waterschei organiseerde, onder ruime belangstelling, een St.Barbaraviering met een mijnwerkersmenu
|
Interviews. Die we hebben geven & en andere personen die betrekking hebben op de Mijnbouw. |
| 31-11-2011.
Hard
en huilend joeg de ijzig oostenwind over de Mauritsweg. Met de pet over
mijn oren getrokken en de sjaal voor mijn neus en mond ploeterde ik op
mijn oude gammele fiets in de vroege morgen voort. Op weg naar mijn werk
op de Staatsmijn Maurits. Dat was op een dag in November van 1946. Het was
04.00 uur in de nacht en ik was de eerste die op weg was naar zijn werk.
Troosteloos en bevroren lagen de velden langs het Steinerbos er bij, die
me naar mijn doel leidde. Dat was de “
Melkboet” op de Staatsmijn Maurits. De hevige wind die joeg de
stuifsneeuw als witte poeder door de lucht en op plaatsen hoopte die
sneeuw zich metersdik op. Als
knaapje van 15 jaar trapte ik de pedalen rond. Elke trap die ik deed
bracht me langzaam verder. Maar even voorbij het Steinerbos moest ik van
mijn fiets af. Aan het einde van de Mauritsweg, nabij de bakkerij
“Werenbeck”, was de weg onbegaanbaar. Een dikke laag stuifsneeuw op de
weg maakte het fietsen onmogelijk. Wat heb ik toen moeten ploeteren om
door die troep heen te komen. Ik duwde en ik sleepte me met mijn fiets
door deze barrière heen. Twee honderd bizarre meters heb ik toen afgelegd
in omstandigheden die me deden denken aan de Eskimos op de Noordpool. Toen
ik daar doorheen was en weer fietsend verder kon, pedaleerde
ik even later langs de boerderij van Hennekes met langs de weg hoge
rijen populieren. Dan naar links over de brug van het mijnspoor met de
steenberg aan de linkerkant en rechts de muur van het schrootterrein. En
aan het einde van die weg daar was de ingang van de Sm.Maurits. Zo begon
toen een van mijn werkdagen,- van de twintig jaar,- die ik deze
weg gereden heb en de mijnwerkers van achter de toonbank van het
melkhuisje heb bediend. Toen echter in 1966 de mijn gesloten werd was het
over en uit. Ik denk nog vaak aan die tijd terug. Aan de mannen van het
kolenfront die ik voorzag van melk, limonade, chocomel, coca-cola, zure
haring en rolmops, sprits en gevulde koeken, pruimtabak, pepermunt en
fruitrollen, toiletzeep, sigaretten en sigaren, shag en pijptabak, kwatta
repen, en nog zoveel meer van dat gerei. Het melkhuisje was een goed
beklante zaak. Voor 20 cent kreeg je er een flesje Komol limonade van
Moulen uit Voerendaal met een zure haring of rolmops van Baltussen uit
Maastricht. Een grote beker melk van de fabriek St. Rosa uit Sittard met
een sprits of gevulde koek van bakker Polman uit Geleen koste samen ook
maar twee dubbeltjes. De zure haring of rolmops, met een flesje prik er
achteraan, dat was zowaar een delicatesse voor de mijnwerkers. Het was
soms niet aan te slepen. Na een zware dagtaak in de pijler, honderden
meters diep in de aarde tussen stof en gruis, verlangden deze mensen
alleen nog maar naar frisse lucht en drinken. Want ze kwamen uit de hel.
Als ze hun dagtaak er op hadden zitten dan wasten ze zich in het badlokaal
in alle haast het zwarte kolenstof van hun lijf om zich naar het
melkhuisje te spoedden. Daar lag hun “Oase”. Hun zucht naar dat flesje
limonade met die zure haring dat was te vergelijken met iemand die dorstig
en uitgedroogd in de woestijn ronddoolt op zoek naar water. Anderen die
hadden weer een groot verlangen naar een warme beker melk met een sprits
of gevulde koek. Ze stonden als hongerige wolven in de rij hun beurt af te
wachten. Ongeduldig als kwijlende honden. Sommigen hadden nog het zwart
van het kolenstof rond hun ogen zitten. En die ogen spraken boekdelen. Men
las er de zware arbeid in. Vele jaren later werd ik me pas bewust wat
achter die ogen schuilde. Bloed, zweet en tranen. Je moet volwassen zijn
om het te begrijpen. Maar ondanks hun zware dagtaak hadden de mannen toch
nog een plaats voor grappen en grollen. En uitdagingen! Ik
herinner me nog heel goed de wedstrijd die de 4 gebroeders Maessen uit
Spaubeek soms hielden. Flink uit de kluiten gewassen kerels die vol zaten
met humor en gein. Als ze met z’n vieren na de dienst het melkhuisje
binnen kwamen, en ze zagen de lekkere zure haringen in de grote schotel
liggen, dan was hun honger niet te stillen. Als iedere er zo’n
stuk of vijf soldaat had gemaakt dan begon het spel. Dan jutte de een de
ander op om er nog een te verorberen. Soms werd er een weddenschap
afgesloten. Degene die 10
haringen op kon die hoefde niet te betalen. Maar de hoogste score die een
van hun haalde was 8 stuks. En zo heb ik nog meer merkwaardige dingen
meegemaakt. Zoals bijvoorbeeld de variatie van drinken en eten die
sommigen hadden. Een beker warme melk met een rolmops, of een spritskoek
met een haring. Een combinatie die niet te verteren was. Maar honger en
dorst maakt alles lekker. Het melkhuisje dat kon niet gemist worden. Als
de mijnwerkers hun dagtaak er op hadden zitten dan was het voor de
melkhuisbedienden hard aan pakken. Ze kwamen soms handen te kort om de
klanten te bedienen. Geen honderden maar duizenden flesjes drank gingen
dan over de toonbank. En evenzo de haringen of de rolmopsen. Voor dat de
stormloop begon werd gezorgd dat er voldoende schotels met haring of
rolmops waren gevuld om iedereen zo snel mogelijk te laten doorstromen.
Want voor de meesten stonden buiten op de parkeerplaats de bussen te
wachten die hun naar huis vervoerden. Maar er was nog een product waar de
kompel niet zonder kon. En dat was de pruimrol. De pruimrolletjes van de
Fa. Philips uit Maastricht die waren het meest in trek gevolgd door de
pruimrollen van Garé uit Beek en de Grim & Trippel van
tabakleverancier Ogg uit Maastricht. Dat er wat afgepruimd werd daar diep
in de mijn dat tekende zich doordat er wekelijks wel zo’n 1000
pruimrollen over de toonbank gingen. En als het betaaldag was, vooral bij
de maandafrekening, dan was het melkhuisje te klein. Dan was hun kooplust
nog groter als normaal. Dan stonden de kompels in dikke rijen voor de drie
uitgifteplaatsen van de toonbank te dringen. Het is al zo erg geweest dat
de mijnpolitie er aan te pas is gekomen om hun tot orde te manen.
Want
als ik dit schrijf dan leven
we in het jaar 2011. Slechts herinneringen en documentatie en vooral internet
doen ons dan nog somtijds terug denken aan de werkers diep in de donkere
schachten van de mijn. Drie maal klikken met de muis op gluckauf.nl en je gaat
met je gedachten terug naar de tijd toen het zwarte goud ons arbeid en
brood op de plank verschaftte. Een
tijd van hard werken maar ook een tijd van kameraadschap en solidariteit.
Toen was geluk nog heel gewoon. !!!! Gluckauf !!!!! P.
Schepers.
|
| 14-03-2011.
Interview door Hart van Nederland met Roy Simons. |
St. Barbara met mijnwerkerskost - 4 december 2010Het Mijn-Verleden van het Mijnwerkersmuseum in de oude mijngebouwen van Waterschei organiseerde, onder ruime belangstelling, een St.Barbaraviering met een mijnwerkersmenu
|
|
Interview door L1 radio over de tentoonstelling house of wonders, waar wij een gedeelte van onze verzameling aan hebben uit geleend. |
|
Interview met Frits Aelmans http://player.omroep.nl/? http://www.radio1.nl/contents/ |
|
Interview die we hebben gegeven aan de krant de Trompeter. |


|
Hieronder ziet U het krantenartikel van 08-02-2010 uit het Limburgs dagblad. Het artikel heeft één dag later vele positieve reacties opgeleverd. Diverse mensen boden zelfs spontaan hun mijnspullen ter schenking aan. Onze oprechte dank hiervoor. |

/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/
/